Hoofdpagina
Wijn maken
Wijn drinken
Druiven
Reizen
Boeken
Forum
Zoeken
Meewerken

bNamed.de:
Domeinnaam registraties voor een adres in Duitsland
(.de)


Nieuw:

Boeken
-
Gistingsbeheerder


bNamed  
E-mail
Mail
Print
Print
Infectie en aantasting door Botrytis bij Edelrot

Druiven telen voor Botrytis edelrotwijn
Zoals reeds vroeger vermeld veroorzaakt dezelfde schimmel zowel edelrot als grijsrot. Sporen (conidiën) waarmee de schimmel infecteert zweven heel het seizoen door de lucht. De vraag die zich nu opdringt is dubbel.
A. Hoe komt het dat Botrytis voor edelrot slechts uitbreekt na rijpheid? Kan men edelrot bekomen op het gunstige moment in oktober zonder grote problemen?
B. Hoe komt het dat grijsrot niet elk jaar problemen geeft vermits de sporen heel het groeiseizoen rondzweven?
Om dit beter te begrijpen is het wenselijk een inzicht te hebben hoe Botrytis de druiven infecteert, en door aantasting het rot veroorzaakt. In de tekst hierna volgt een overzicht van een aantal proeven en waarnemingen uit wetenschappelijke publicaties die aantonen hoe Botrytis de druiven infecteert en die o.a. kunnen verklaren hoe de aantasting zich bij rijpheid ontwikkelt.

Factoren die de infectie en aantasting bepalen
1° De weersomstandigheden spelen een belangrijke rol voor de uitbraak van Botrytis bij rijpheid. In streken die meest bekend zijn voor edelrot (bvb. Sauternes en Tokay) zijn de zomers voldoende droog zodat er zich dan weinig aantasting voordoet en men weinig gebruik moet maken van fungiciden als bestrijdingsmiddelen. In sommige jaren en andere streken regent het zomers wat meer en toch kan men in goede jaren ook edelrot bekomen. Veel gebruik van fungiciden tegen Botrytis in de zomer is te mijden omdat deze ook het edelrot later kunnen hinderen (zie foto’1). In een gunstige oktobermaand komen dan de befaamde mistige nachten waarbij de schimmel aantast en de zonnige dagen die de verdamping bevorderen. Als het in de Sauternes-streek te veel en langdurig regent in oktober, is grijsrot te vrezen en plukken sommige wijnbouwers de nog gezonde druiven en maken alleen droge witte wijn. In de Tokay-streek heeft men, naar ik heb vernomen, eerder last van te grote najaarsdroogte en daardoor gebrek aan aantasting. Het is ook nog mogelijk dat lage nachttemperaturen infecties en aantastingen kunnen bevorderen in oktober. Bij druiven en sommige andere planten vermindert gedeeltelijk hun weerstand bij lage temperaturen (Coertze & Holz, 1999) . Bewijzen voor invloed op infecties voor edelrot zijn echter nog te beperkt.

Door onderzoekers zijn er verschillende eigenschappen bij druiven vastgesteld die oorzaak kunnen zijn dat aantastingen in de zomer meer worden tegenhouden en alleen maar bij rijpheid in oktober worden bevorderd.

2° Bulit en Verdu (1973) uit Bordeaux hebben aangetoond dat Botrytis-sporen altijd aanwezig zijn in de wijngaarden maar dat hun aantal enorm stijgt tijdens de rijpingsperiode van de druiven. Men veronderstelde dat men hierdoor meer infecties kon verwachten bij rijpheid. Mansfield (1980) had immers aangetoond bij bonen dat er meer en sneller aantastingen ontstonden naarmate er meer sporen waren in de infectiedruppels.
3° Bessis (1977) uit Dijon heeft met de elektronenmicroscoop waargenomen dat de druif barstjes vertoont tijdens het groeien en rijpen, dat de sporen kiemen op het oppervlak en de kiembuizen langs de barstjes naar binnen groeien.
4° Verwondingen (vooral verse) zijn vaak bevorderlijk voor het binnendringen van Botrytis. Ook dode plantenrestjes, bloemblaadjes, stuifmeel enz. op de intacte vrucht vormen een basis waarop Botrytis zijn groei kan starten, afscheidingen produceren die het onderliggend weefsel aantasten en het binnendringen bevorderen. Bij de bloei zijn meeldraden (met stuifmeel), de stempel en dode bloemblaadjes (bloemkapjes) een ingangspoort voor infectie. Hierdoor is de bloei een zeer vatbaar stadium (zie verder McClellan & Hewitt). Bij het groeien van de druiven en het sluiten van de tros blijven er gemakkelijker dode plantenrestjes en stukjes vruchtrot hangen tussen de druiven; deze kunnen dan een startbasis vormen die infecties bevorderen bij rijpheid.
5° Het kiemen in waterdruppels op de druif wordt bevorderd door suikers, fosfaat en andere voedingsstoffen in infectiedruppels. Kosuge en Hewitt (1964) vonden dat het gehalte aan suikers op het oppervlak steeg naarmate de druif rijper werd. Deze uitscheidingen zag men met de scanning elektronenmicroscoop eerst nabij de barstjes en bij rijpheid overal op de schil van de druif (Bessis, 1977).

Dit zijn eigenschappen die men beschouwde als verklaringen waarom rijpe druiven meer vatbaar waren dan onrijpe. Naast factoren gunstig voor de aantasting bij rijpheid hebben onderzoekers de volgende eigenschappen ontdekt die de aantasting afremmen vooral bij de jonge druiven.

6° Als reactie op de penetratie van de schimmel vormt de druif afweerstoffen die de schimmelgroei remmen o.a. “resveratrol” en “viniferin” ( ). Deze afweerstoffen worden maximaal gevormd in jonge druiven met 10 tot 15 % suiker. In de rijpe druif is de productie zwak wat een factor zou zijn voor grotere vatbaarheid bij rijpheid (Stein & Blaich, 1985).
7° Om het levend plantenweefsel binnen te dringen moet Botrytis de cellen (vaak vooraf) doden door afscheiding van een pectineafbrekend enzym. Eén enzym (van een groep van zes enzymen) ( ) is het belangrijkste omdat het eerst wordt afgescheiden en in de rand van de aantastingzone werd aangetoond (Van der Cruyssen & Kamoen, 1994). Het wordt daarom verantwoordelijk geacht voor de uitbreiding van de aantastingen door Botrytis. Uitschakeling van het gen van dit enzym verminderde sterk de aantasting (ten Have et al., 2000).
Onrijpe druiven zijn minder vatbaar dan rijpe voor deze enzymen die de pectine uit de celwanden afbreken. Als verdediging tegen pectineafbraak produceren jonge druiven namelijk proanthocyanidinen ( ) die de werking van de pectineafbrekende enzymen afremmen (Hill et al., 1981). In rijpe druiven worden deze proanthocyanidinen minder actief, de pectine in de celwanden wordt dan gemakkelijker aangetast en verdwijnt door afbraak bij rotte druiven (Kamoen & Dubourdieu, 1990); de cellen barsten, sterven af en de druiven kunnen evolueren tot edelrot
Buiten pectineafbrekende enzymen spelen nog andere afscheidingen een mogelijke rol bij de aantasting (Rubezhnyak et al., 2000). De rol van deze afscheidingen is nog ter discussie en er zijn geen verschillen bekend betreffende hun effect op jonge of rijpe druiven.

Infectie (of binnendringen) en aantasting (of rot veroorzaken)
In het verleden veronderstelden vele onderzoekers dat de infecties en het binnendringen van Botrytis in het najaar het belangrijkst waren voor het rot bij rijpheid en men baseerde zich hiervoor op sommige factoren hierboven beschreven (zie 1° tot 7°). Wetenschappers trachten echter steeds oudere hypothesen te weerleggen door nieuwe proeven.

Interessante proeven om het voornaamste tijdstip voor infectie te achterhalen werden uitgevoerd door McClellan & Hewitt (1973). Zij infecteerden Riesling druiven met een suspensie van 75.000 sporen / ml, in verschillende stadia rond de bloei namelijk voordien, tijdens en erna. Daarna werd elke tros verpakt in een zakje bruin papier om door de vochtigheid in het zakje vroegtijdig het rot te kunnen waarnemen. Zes tot negen weken later werden de papierzakjes geopend en het procent aangetaste druiventrossen in twee proefjaren (in 1970 & 1971) was als volgt.

Tabel 1. Procent aangetaste trossen na infectieproeven in verschillende stadia van de ontwikkeling van druiven (naar McClellan & Hewitt, 1973).

De controle bespoten met water zonder sporen had 10 tot 15 % rotte trossen in de zakjes, terwijl in het veld waar de trossen niet in zakjes waren verpakt was er 1 % rot.
De resultaten tonen dat het maximum rot werd bekomen bij infecties tijdens de bloei en dat rot waargenomen later vermoedelijk afkomstig is uit bloeminfecties. Inpakken in zakjes bevorderde de vroegtijdige uitbraak van rot door de vochtigheid. Een zeer vochtige zomer bvb. in onze streken kan dus de latente aantasting doen uitbreken in de groene onrijpe druiven die besmetting meekregen uit de bloei. Weinig regen en droog weder in de zomer is een voorwaarde om de aantasting uit te stellen tot oktober en dan eventueel edelrot te bekomen als de druiven meer vatbaar zijn.

Nair en Allen (1993) berekenden de snelheid van aantasting. In de bloempjes was er 63% schimmel binnengedrongen anderhalf uur na infectie en bij rijpe druiven was er 63% na 14 uur, beiden bij > 90% relatieve vochtigheid. Daarna stegen de aantastingen tot 100%. Bij beiden waren de sporen opgebracht in water tussen 20 & 25 °C. De conclusie was dat infectie op rijpe druiven met druppels sporen mogelijk is maar de vatbaarheid het hoogst is en de infectie het snelst in de bloei.

Wat gebeurt er met de schimmel die in de bloem is binnengegroeid?
De Botrytis dringt binnen in de bloem en de jonge vrucht via de meeldraden of de stempel. Beiden vormen een startbasis voor het binnendringen van de schimmel (zie 4° hiervoor). Pezet en Pont (1984) vonden, na bloembesmetting met radioactieve sporen (C-14), myceliumdraden terug in de jonge druifjes van 2 mm, in en onder de stempel, in de kraag (basis van de meeldraden) en in het vruchtsteeltje. In dit piepjonge vruchtje (ex-bloem) groeit de schimmel nauwelijks en blijft bij voldoende droog weer normaal latent zonder rot te veroorzaken. Het latent blijven van de schimmel inwendig in de druif is zeer waarschijnlijk te wijten aan het remmen van de schimmelgroei (zie hiervoor 6°) en het remmen van de Botrytis-enzymen die de pectine van de plant afbreken (zie 7°). Het rot is het essentieel deel van de aantasting en wordt vermoedelijk veroorzaakt door de afbraak van de pectine.

Als gevolg van deze proeven zou ik dus onderscheid willen maken tussen de infectie en de aantasting. De infectie omvat het aanhechten van Botrytis sporen, het kiemen, het binnendringen en zich vestigen binnenin de druif (en eventueel latent blijven) zonder daarom rot te veroorzaken. De aantasting wil ik beschouwen als het uitbreken van het rot van de plantendelen door de explosieve groei van de schimmel die veel eerder of kort voordien is binnengedrongen.

Holz in Zuid-Afrika onderzocht kritisch een ander aspect van de infectie. De meeste onderzoekers deden namelijk infectieproeven door druppels met duizend of meer sporen / ml. Vermits sporen in de lucht solitair en niet in groepjes of in waterdruppels rondvliegen onderzocht hij infecties met neerdwarrelende solitaire sporen in lucht i.p.v. met sporen in druppels Hij infecteerde jonge tot rijpe druiven met + 3 solitaire sporen / mm², de druiven waren droog of nat (nat door verneveling vooraf met water). Bloeminfecties werden niet onderzocht. (Coertze & Holz, 2001). Deze proeven toonden aan dat in jonge druifjes (per zone van 35 mm², met elk +100 sporen) er miniem weinig zones waren waar de schimmel was binnengedrongen en zich had gevestigd. Bij rijpe druiven, die meer vatbaar zijn, vond men iets meer, maar minder dan 20% van deze zones die Botrytis bevatten onder de schil (in tegenstelling tot 100% na 24 uur door infectie met druppels bij Nair & Allen). Holz trekt de volgende conclusies uit zijn proeven. Solitaire sporen gedragen zich anders dan massa’s sporen in druppels: deze laatste alleen hebben o.a. neiging tot binnendringen in barstjes (zie 3° Bessis), in de druppel vormen de massa’s sporen een kluwen van myceliumdraden met een ander gedrag. Voor infecties door solitaire sporen maakte het weinig uit of de druiven droog of nat waren als de relatieve vochtigheid meer dan 93% was. Hill et al. (1981) berekenden dat minder dan 0,1% sporen erin slaagt om binnen te dringen. Groene druiven werden niet aangetast en rijpe wat meer (<20%), ze zijn wat meer vatbaar. De eindconclusie van Holz is dat rondvliegende solitaire sporen in de zomer en zelfs bij rijpheid slechts een geringe bron kunnen zijn van aantasting. Hij neemt ook aan dat vele infecties komen uit de bloei, waarna de schimmel gewoonlijk latent blijft en later meestal bij rijpheid kan uitbreken.
Kunnen de infecties bij de bloei later rot verwekken bvb. bij rijpheid? Zal de schimmel, die de bloem infecteerde en die in het jonge druifje groeit, inderdaad latent in leven blijven tot hij met rot uitbreekt bij rijpheid als de druiven meer vatbaar zijn?
Om deze hypothese met experimenten te ondersteunen hebben McClellan en Hewitt (1973) daarom na hun vorige proeven de levende Botrytis opgespoord door isolatie uit “Pinot-St.-George” en “Sauvignon vert” uit normale wijngaarden. De wijngaarden waren niet kunstmatig besmet en de druiven onderzocht op aanwezigheid van Botrytis vertoonden bij het nemen van de stalen geen enkel symptoom van rot. De resultaten van tabel 2 tonen aan dat in normale veldomstandigheden de bloempjes en jonge druifjes inwendig wel veel levende schimmel kunnen bevatten. Het aantal druiven met nog leefbare schimmel neemt echter sterk af in de loop van de zomer. Vermoedelijk sterft tijdens goede (droge?) zomers in de groeiende druif een groot deel van de schimmel af door de remming van de schimmelgroei en van de pectineafbraak.

Tabel 2. Procent bloempjes en druiven met inwendig latent maar levend Botrytis mycelium (na oppervlakkige sterilisatie en incubatie op 1 % water agar groeimedium).


De tabel 3 toont dat in het jaar van deze proef (van tabel 2) de vroege ontwikkeling van grijsrot eerder beperkt was ondanks de hoge bloeminfectie (90 % bij Pinot St.G., het kan moeilijk hoger !).

Tabel 3. Procent druiventrossen met vroegtijdig grijsrot.


Het procent grijsrot in de zomer heeft blijkbaar weinig verband met de hoeveelheid infectie in de bloem. Vermoedelijk wordt de uitbraak van vroegtijdig grijsrot meer bepaald door de weersomstandigheden tijdens de zomer. Of de hoeveelheid rot bij rijpheid verband houdt met de hoeveelheid schimmel nog latent aanwezig in augustus en september werd niet onderzocht door McClellan en Hewiitt (1973).

Er is hiervoor herhaaldelijk gewezen op de gunstige invloed van een hoge relatieve vochtigheid op de uitbraak van Botrytis zonder dat hiervoor een uitleg is gegeven. Een nat of droog oppervlak van een druif bij >93% relatieve luchtvochtigheid heeft immers volgens Holz geen positieve invloed op de penetratie en vestiging van solitaire luchtsporen. Betere infectie kan dus niet de uitleg zijn. Twee hypothesen hebben getracht een verklaring te geven voor de gunstige invloed van hoge relatieve luchtvochtigheid op de uitbraak en ontwikkeling van de aantasting: namelijk een verdunningtheorie volgens Harrison (1980) en een diffusietheorie volgens Kamoen (1972). Beiden gaan er vanuit dat bij hoge relatieve luchtvochtigheid er meer water is in de intercellulaire holten door geringere verdamping. De verdunningstheorie neemt aan dat stoffen van de plant, die remmend zijn voor de schimmelgroei (zie 6°) of de pectineafbraak (zie 7°), worden verdund. Daardoor zou de remming verminderen en kan de schimmel groeien en de pectine worden afgebroken. Hierdoor kan het rot starten. De diffusietheorie neemt aan dat de dikkere waterfilm in de intercellulaire holten de diffusie bevordert van de toxische afscheidingen van de schimmel naar cellen in diepere lagen in de plant. Hierdoor zou het rot sneller kunnen uitbreiden in de bes. Ook de uitbreiding in de tros van een aangetaste rotte bes naar de aanliggende gezonde bessen via een waterfilm tussen beiden is door diffusie te verklaren.

De eindconclusie van al deze resultaten en theorieën is vermoedelijk als volgt. Hoge vochtigheid bevorderd weinig de nieuwe infecties door rondvliegende sporen (cfr. Holz). De hoge vochtigheid bevordert wel de groei van de schimmel latent aanwezig in de druif en de uitbraak van het rot (cfr. verdunningstheorie). De hoge vochtigheid bevordert ook de uitbreiding in de tros naar druiven in contact met de eerst rotte druiven (cfr. diffusie).

Massale aantasting bij Edelrot
Goed edelrot moet een groot procent van aangetaste druiven bezitten en het mag slechts een beperkte hoeveelheid gezonde druiven bevatten.

Van waar kan deze massale infectie komen?
1° Bij de bloei kan er massale infectie gebeuren (zie proeven hierboven) maar normaal sterft een groot deel van de latente schimmel in een goede zomer af (zie tabel 2) en begin oktober bevat slechts een paar procent van de druiven de infectiebron.
2° Door rondvliegende sporen in de nazomer kan bij rijpheid slechts een paar procent van de druiven geïnfecteerd worden (zie Coertze & Holz, 2001) en hieruit is ook geen massale aantasting te verwachten.
Het scenario voor de aantasting is vermoedelijk als volgt.
Begin oktober zijn in elke tros enkele druiven drager van levende (latente) Botrytis. Deze zijn overgebleven sedert de bloeminfectie. In september en oktober kunnen er nog enkele druiven die Botrytis dragen bijkomen door infecties in wonden of uit rondvliegende sporen waarvan enkele toch met succes kunnen infecteren. De druiven verliezen bij rijpen hun weerstand tegen schimmelgroei (zie 6°) en pectineafbraak (zie 7°) en in het beperkt aantal druiven met de latente schimmel hervat de Botrytis daar zijn groei in de vochtige (mistige) nachten met hoge relatieve vochtigheid. De meeste druiventrossen zijn dan gesloten en de schimmel groeit nacht na nacht van de enkele rotte druiven in de aanliggende gezonde. Zo ziet men in de meeste trossen nesten van rot ontstaan. Deze uitbreiding gaat echter traag, zodat de eerste druiven reeds verdrogen (geroosterd rot) terwijl nog een groot deel van de tros gezond is. Ook zijn er stukjes rot die loskomen (bvb. door wind) en tussen de gezonde bessen dringen en vandaar nieuwe aantastingen kunnen starten.

Gevolgen voor de oogst.
De kennis van de wijze van aantasting nl. startend met enkele druiven per tros verklaart waarom de oogst moet gebeuren in verschillende beurten door selectief delen met optimaal rot uit te snijden en te oogsten. De kennis van de aantasting leert ook dat indien men echter te veel uitsnijdt men de bronnen voor aantasting vermindert en hierdoor de uitbreiding in de trossen vertraagt (zie foto 3). Indien men te weinig en vooral later uitsnijdt bekomt men sneller uitbreiding maar te veel verdroogde druiven en hieruit weinig most. Dit laatste is te zien op foto 2 waar (in tegenstelling tot foto 3) als proef geen eerste gedeeltelijke oogst werd uitgevoerd en praktisch geen gezonde druiven meer te zien zijn maar wel veel verdroogde druiven (vergelijk met foto 3 van hetzelfde tijdstip en dezelfde wijngaard).

Proeven voor verbeteren van edelrot.
Sommige wetenschappers hebben getracht kunstmatige infectie te verwekken in oktober (Gangl & Tiefenbrunner, 1999; Kamoen, 1989). Dit heeft tot hiertoe slechts wisselend succes gekend. De verschillende infectieproeven besproken hogerop kunnen verklaren waarom het zo moeilijk is in de wijngaard massaal infecties te bekomen op een groot aantal rijpe druiven in de trossen. Indien men echter toch een methode zou kunnen ontwikkelen om snel massale aantasting te verwekken op rijpe druiven dan zou men het aantal oogstbeurten kunnen verminderen en zou men de infectie kunnen uitvoeren als een goede weersperiode te verwachten is (Kamoen, 1989). Dit zou gunstig zijn om de kostprijs en de kwaliteit verbeteren.

Samenvatting
Hoe kan de wijnbouwer optimaal edelrot bekomen in oktober en grijsrot vermijden. In dit artikel wordt de infectie en aantasting door Botrytis besproken. Door deze kennis kan men inzicht bekomen hoe edelrot ontstaat in het najaar, hoewel de schimmelsporen heel het jaar in de wijngaard rondzweven. Waarom de schimmel bij voorkeur met rot uitbreekt op rijpe druiven is o.a. te verklaren door volgende factoren. 1° De weersomstandigheden zijn droger in de zomer en vochtiger in het najaar, 2° er zijn meer sporen in september, oktober , 3° er ontstaan barstje bij rijpe druiven, 4° dode plantenrestjes die gemakkelijker blijven kleven in de gesloten rijpe trossen zijn een startbasis voor de schimmel evenals wondjes, 5° voedingstoffen vond men meer op de schil van rijpe druiven dan bij groene, 6° afweerstoffen die de schimmelgroei remmen zijn meer geproduceerd door de groene druif en 7° de pectineafbraak door Botrytis wordt meer verhindert in de groene druif dan in de rijpe. Al deze factoren verklaren waarom rot bij voorkeur bij rijpe druiven uitbreekt. Andere proeven hebben aangetoond dat anderzijds de infectie zich vooral voordoet bij de bloei. De schimmel groeit binnen maar wordt dan onderdrukt door de weerstand van het jonge druif. Hij kan later uitbreken met rot in enkele rijpe druiven waar hij bleef overleven. Van hieruit verovert de schimmel met rot gradueel heel de tros. Bijgevolg moet de oogst in verschillende beurten verlopen om zoveel mogelijk druiven te oogsten in een optimaal stadium.

Geraadpleegde literatuur
* Bessis R., 1972. Etude en microscopie electronique à balayage des rapports entre l’hôte et le parasite dans le cas de la pourriture grise. C.R. Acad. Sc. 274, p. 2991-94.
* Bulit J. & Verdu D., 1973. Annual variations in the aerial spores of Botrytis in a vinyard. Proc. Eur. Botrytis Symposium, 28 June- 1July 1973. Teresin, Poland.
* Coertze S. & Holz G., 1999. Surface colonisation, penetration and lesion formation on grapes inoculated fresh or after cold storage with single airborne conidia of Botrytis cinerea. Plant Disease, vol. 83 (10), p. 917-924.
* Coertze S. & Holz G. 2001. Germination and establishment of infection on grape berries by single airborne conidia of Botrytis cinerea. Plant Disease, vol. 85 (6), p. 668-677.
* Harrison J.G. 1980. The production of toxins by Botrytis fabae in relation to lesions on field bean leaves at different humidities. Annals of applied Biology 95, p. 63-91.
* Hill G.K., Stellwaag-Kitller F., Huth G. & Schlösser E. 1981. Resistance of grapes in different development stages to Botrytis cinerea. Phytopath. Z. 102, p. 329-338.
* Kamoen O. 1972. Pathogenese van Botrytis cinerea op knolbegonia. Dr.-Proefschr. Landb. Wet. Univ. Gent, 106 pp.
* Kamoen O. & Dubourdieu D. 1990. Phytotoxic secretions from Botrytis cinerea in grapes. Med. Fac. Landbouww. Univ. Gent 55 (3a), p. 799-804.
* Kosuge T. & Hewitt W.B. 1964. Exudates of grape berries and their effect on germination of conidia of Botrytis cinerea. Phytopathology 54, p. 167-172.
* Mansfield J.W. & Deverall B.J. 1974. The rates of fungal development and lesion formation in leaves of Vicia faba during infection by Botrytis cinerea and Botrytis fabae. Annals of Applied Biololgy. 76, p. 77-89.
* McClellan W.D. & Hewitt W.B. 1973. Early Botrytis rot of grapes: time of infection and latency of Botrytis cinerea in Vitis vinifera. Phytopathology 63 (9), p. 1151-1157.
* Nair N.G. & Allen R.N. 1993. Infection of grape flowers and berries by Botrytis cinerea as function of time and temperature. Mycol. Res. 97 (8), p1012-1014.
* Pezet R. and Pont V. Infection florale et latence de Botrytis cinerea dans les grapes de Vitis vinifera (var. Gamay). Revue suisse Vitic. Arboric. Hortic. 18 (5), p. 317-322.
* Rubezhnyak I., Kamoen O. & Zaichenko A. 2000. Survey of biologically active metabolites from Botrytis cinerea. Parasitica 56 (1), p. 1-13.
* Stein U. & Blaich R. 1985. Untersuchungen über Stilben Production und Botrytis- Anfalligkeit bei Vitis-Arten. Vitis 24, p. 75-87.
*Ten Have A., Mulder W. Visser J. &van Kan J.A.L., 1998. The endopolygalacturonase gene Bcpg1 is required for full virulence of Botrytis cinerea. Molecular Plant Microbe Interaction 11 (10), p. 1009-1016
* Van der Cruyssen G. & Kamoen O., 1994. Expression of polygalacturonases of Botrytis cinerea in vitro and in vivo. Med. Fac. Landbouww. Univ. Gent 59 (3a), p. 895-905.
* Wubben, J.P., ten Have A., van Kan J.A.L. & Visser J., 2000. Regulation of endopolygalacturonase gene expression in Botrytis cinerea by galacturonic acid, ambient pH and carbon catabolite repression. Current Genetics 37 (2), p. 152-157.

Auteur: Oswald Kamoen
(Afdeling Plantenziekten)
Centrum Landbouwkundig Onderzoek
B 9820 Merelbeke


Foto 1. De druiven op deze foto werden in augustus 1988 twee maal bespoten met een fungicide tegen Botrytis cinerea. Begin november waren na deze behandeling de meeste druiven van de trossen nog gezond in tegenstelling met de struik te zien op foto 2. Om edelrot te bekomen zijn veel fungidenbehandelingen dus ongewenst.


Foto 2. Op deze druiven was er geen fungicide behandeling (zoals op die van foto 1) er werd ook geen eerste partiele pluk uitgevoerd in oktober (zoals op foto 3). De eerste
edelrot druiven bleven dus hangen en de aantasting verspreidde zich over heel de tros. Let erop dat er hier bijna geen gezonde druiven meer zijn begin november en dat vele druiven verdroogd zijn (geroosterd rot, pourrie rôtie).


Foto 3. De druiventrossen op deze foto ondergingen in oktober een eerst pluk voor het oogsten van het eerste edelrot. Door deze pluk bleven slechts weinig aangetaste druiven hangen en vertraagde de uitbreiding in de trossen. In november waren er hier nog relatief veel gezonde druiven in vergelijking met foto 2.

Zie ook...
Wijn uit druiven met botrytis edelrot - Druiven - Hoofdpagina
  Webontwerp door bIM